Jeroen Bol & de Judaïsering van de Kerk; zijn Bijbelse Onwetendheid; Crysostomos, de “Christelijk-Anti-Semitische” Kerkvader; Corrigerende Bijbelstudies; een Stuk Geschiedenis; de Komende Joods-Talmudische Wereldorde & een Ruw Ontwaken voor de Christenzionisten.

“Welke plaats heeft de liefde (en met name de naastenliefde) gekregen in de christelijke theologische traditie? Welke plaats heeft dat gekregen in de theologische traditie? Het is tien jaar geleden ongeveer, dat deze vraag voor mij persoonlijk echt is gaan leven. Dat was toen ik me in 2007 voor het eerst pas bewust werd, wat de Joden eeuwenlang in Europa van christelijke zijde aan lijden te verduren hebben gehad. Ik kreeg in die tijd tien jaar terug, een bijzonder boek in handen; dat is dit boek van Werner Keller, “En zij werden verstrooid onder alle volkeren”. Ik was geschokt door wat ik bij Werner Keller las; ik wist toen wel al dat ook voor de Holocaust er in Europa moordpartijen onder Joden waren aangericht; ik wist van de Kruistochten rond 1100; ik wist van de Inquisitie in Spanje in 1400-1500; ik wist ook van bloedige pogroms in Rusland rond 1900. Maar dat was ongeveer wel wat ik wist; ik had iets in mijn hoofd van, “Het is wel heel erg wat er gebeurd is, maar het gebeurde af en toe in de geschiedenis”.

 

Maar het boek van Keller liet mij zien dat het allemaal veel erger is geweest. Het anti-Joodse geweld in christelijk Europa bestond niet uit incidenten, maar maakte deel uit van een patroon. Er zijn vele duizenden Joden door de eeuwen heen in christelijke landen in Europa vermoord. Maar de grootste schok voor mij was de ontdekking van de oorzaak van dit alles lag in de anti-Joodse leer die de Kerk eeuwenlang verkondigd heeft; de belangrijkste oorzaak. Weinig mensen weten dit, en ik noem het het best bewaarde geheim van de Kerk. En die ontdekking ( dat de kern van het probleem zit in de anti-Joodse lering in de kerkelijke traditie), sloeg bij mij in als een bom. Want de gedachte dat de Holocaust heeft kunnen plaatsvinden dankzij het feit dat de Kerk eeuwenlang met de verkondiging van anti-Joodse opvattingen vóór de Holocaust in feite de voedingsbodem had bereid (niet bewust maar dit is wel het gevolg geweest), die gedachte vond ik onverdraaglijk; de relatie tussen het Evangelie en de Holocaust, dat kantelt. Het riep enorme vragen bij me op; want hoe kan het dat de Kerk die het Evangelie van vergeving en naastenliefde uitdraagt, hoe kan het dat diezélfde Kerk eeuwenlang zo intens negatieve, ja, zelfs haatdragende boodschappen over de Joden heeft verkondigd?

 

Overigens voor alle duidelijkheid, de Kerk heeft nooit verkondigd dat je Joden moet vermoorden; zéker niet! Maar het hele verhaal was zó negatief dat het daar heel vaak wel toe geleid heeft. Eeuwenlang zijn Joden in tal van christelijke geschriften consequent negatief afgeschilderd, als een hardnekkig, ongelovig volk, als een volk van godsmoordenaars, als satanskinderen. Ze werden beschuldigd van de meest gruwelijke praktijken; dat gebeurde vooral heel veel,  in de Middeleeuwen; bijvoorbeeld, wat heel breed leefde, het idee dat Joden in het geheim christelijke kinderen slachtten en offeren omdat ze het bloed daarvan nodig zouden hebben om matzes te maken. Complete laster, is nooit ook iets van bewezen, maar heel vaak is dat verhaal rondgegaan en dat leidde dan tot rellen en moordpartijen onder Joden regelmatig. De gekste dingen kom je tegen als je je wat gaat verdiepen in die lasterpraatjes over Joden met name ook in de Middeleeuwen.

 

Hoe fel is die anti-Joodse houding in vredesnaam te rijmen met het gebod van naastenliefde? Da’s wel een grote vraag. Da’s écht wel een hele grote vraag! Dit kon onmogelijk de bedoeling van Jezus geweest zijn. Maar waar kwam het dan vandaan? Voor mij stond al snel vast dat er ergens in de 2000 jaar oude geschiedenis van de Kerk iets heel erg misgegaan moet zijn. Noem het kortsluiting tussen wat God zegt en wat de Kerk meende te verstaan. Het werd al snel duidelijk dat het in ieder geval heel veel te maken heeft met de idee van de Kerk, dat ze de plaats van Israël heeft ingenomen; de idee dat ongelovig en verhard Israël mislukt is (want ze wilde toch niet in Jezus geloven), en dat God nu verder gaat met de Kerk, het nieuwe Israël. Dat was ongeveer het verhaal. Deze gedachte leeft al breed in de tweede eeuw, dus vlak na Jezus en Paulus, al heel snel zo vroeg. Maar het probleem natuurlijk is, dat het Nieuwe Testament zelf dit nergens leert. Dit vervangingsdenken is nog steeds niet volledig overwonnen in onze tijd”. 

Aldus dhr. Jeroen Bol, voorzitter van de George Whitefield Stichting en bestuurslid van de Jules Isaac Stichting. https://julesisaacstichting.org/category/lezingen/jeroen-bol/ Voordat we verder gaan horen wat dhr. Bol allemaal over dit “vervangingsdenken” te zeggen heeft, zullen we wat commentaar geven op enkele van zijn uitspraken:

“Eeuwenlang zijn Joden in christelijke geschriften consequent negatief afgeschilderd als een hadrnekkig, ongelovig volk, als een volk van godsmoordenaars, als satanskinderen”. 

De vraag is nu: in wélke “christelijke geschriften” worden de Joden als zodanig afgeschilderd? Hiervoor gaan we naar het Oud-Testamentische bijbelboek, Exodus. In hoofdstuk 32:1-8 lezen we dat Mozes zich op dat moment in de tegenwoordigheid van God op de berg, de Sinaï, bevindt. Het volk Israël wacht aan de voet van de berg op zijn terugkeer. Maar het duurde hen te lang en zij zeiden dat zij niet wisten wat er van Mozes geworden was; nu hij al zo lange tijd wegbleef was het volk bevreesd dat Mozes nooit weer terug zou keren. Aldus eiste het dat er een afgod van een rund zou worden gemaakt; die afgod had hen uit het land, Egypte gevoerd. Aäron, de broer van Mozes die bij het volk was gebleven, toonde zich een zwak man en gafaan de ies van het volk toe; hij liet alle gouden voorwerpen inzamelen (gouden ringen) en liet er een afgod van smeden. Om de zaak toch nog enigszins in goede banen teleiden, riep Aäron uit dat er de volgende morgen een feest te ere van God zou zijn. De volgende dag bracht het volk offers aan de afgod en vierde het feest. Terwijl Mozes nog in de tegenwoordigheid van God op de berg is, vertelt Hij hem dat het volk Israël het verbruid heeft; het heeft zich een afgod gemaakt waardoor het van de weg des Heeren afgeweken was:

“Vervolgens zeide de HERE tot Mozes: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een hardnekkig volk. Nu dan, laat Mij begaan, dat mijn toorn tegen hen ontbrande en Ik hen vernietige, maar u zal Ik tot een groot volk maken”. (verzen 9-10, vertaling Nederlands Bijbelgenootschap (NBG)

Mozes zocht vervolgens de gunst van God voor het volk Israël, waarna God besloot, Zijn dreigement niet uit te zullen voeren. (verzen 11-14) Ook Aäron wordt door Mozes wanneer die eenmaal weer is teruggekeerd, door hem onder handen genomen:

“Toen zeide Mozes tot Aäron: Wat heeft dit volk u gedaan dat gij zulk een zware schuld daarover gebracht hebt? Maar Aäron zeide: De toorn van mijn heer ontbrande niet; gij weet zelf, dat dit volk in het boze ligt. Zij zeiden tot mij: Maak ons goden, die vóór ons uitgaan, want deze Mozes, die man, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd – wij weten niet wat er van hem geworden is. Toen zeide ik tot hen: Wie heeft goud? Rukt het af! Zij gaven het mij en ik wierp het in het vuur, en dit kalf kwam eruit.” (verzen 21-24, (NBG)

“Hij zeide tot mij: Mensenkind, Ik zend u tot de Israëlieten, de opstandige volken die tegen mij in opstand gekomen zijn; zij en hun vaderen zijn van mij afgevallen tot op deze eigen dag; zelfs de kinderen zijn stug van aangezicht en verstokt van hart. Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here HERE: : En zij, of zij het horen dan wel het nalaten- want zij zijn een weerspannig geslacht– zullen weten dat er in hun midden een profeet is geweest”. (God tot de profeet, Ezechiël (Ezechiël 2:3-5)

En dit zijn nu de “christelijke geschriften” waarin de Joden als een “hardnekkig, ongelovig volk” werden afgeschilderd: de Bijbel! En dat niet alleen; Aäron zelf zei dat zijn broer, Mozes maar ál te goed wist “dat dit volk in het boze ligt”! Over Joden als “satanskinderen” en “godsmoordenaars” kunnen we kort zijn: Johannes 8:44 en 2 Tessalonicenzen 2:14-15. Want ook het Nieuwe Testament behoort tot die “christelijke geschriften”! Kennelijk is er tijdens het kerkelijk tijdperk niet veel veranderd! En … dhr Bol beschikt zelf toch ook over een Bijbel, diezélfde “christelijke geschriften” waarin de Joden zo negatief worden afgeschilderd?

 

Vervangingsdenken & Anti-Judaïsme (“Anti-Semitisme”) Onlosmakelijk met Elkaar Verbonden. 

 

Het vervangingsdenken en het anti-Judaïsme kunnen niet los van elkaar worden gezien; misschien wel theoretisch,

“…. maar wanneer we ons verdiepen in 1800 jaar Christendom is er maar een conclusie mogelijk: beide (anti-Judaïsme, anti- Joodse denkbeelden en vervangingsdenken) gingen van begin af aan hand in hand. Rond het jaar 100 zien we het vervangingsdenken al samengaan met negatieve denkbeelden over Joden en Jodendom. Vaak was er daarbij sprake van karitaturen; we zullen daar een paar voorbeelden van zien vanmorgen. Anti-Joodse denkbeelden hebben lang een beslissend stempel gedrukt op het Christendom. Een spannende en belangrijke vraag is of een vernieuwing van onze theologische christelijke traditie eigenlijk wel mogelijk is. Ik denk dan aan de vernieuwing van ons lezen en verstaan van de Schrift die wat mij betreft, aan twee cruciaal-belangrijke voorwaarden moet voldoen nl. 1: ze moet vrij zijn van iedere vorm van vervangingsdenken, en 2: tegelijk toch vasthouden aan de kernwaarheden van ons christelijk geloof”. 

Uit het bovenstaande is het onmiskenbaar duidelijk, dat het hier om de vervangingstheologie gaat, de doctrine die leert dat de christelijke kerk de plaats van het oude Israël ingenomen heeft. Tevens vertelt Mr. Bol dat gedurende de 1800 jaar van het Christendom “anti-Judaïsme, anti-Joodse denkbeelden en vervangingsdenken” vanaf het begin met elkaar vergezeld waren gegaan. Met andere woorden: het Christendom was al die tijd gepaard gegaan met “anti-Semitisme”. Vandaar dat men in christenzionistische kringen ook wel spreekt van een “christelijk anti-Semitisme”. En nu, zo betoogt Bol, is er nu een “vernieuwing van ons lezen en verstaan van de Schrift” nodig. En hoe moet deze ‘vernieuwing” er dan uitzien? Die, “moet vrij zijn van iedere vorm van vervangingsdenken” en “tegelijk toch vasthouden aan de kernwaarden van ons christelijk geloof”. 

 

De Apostel Paulus versus Hen “die U in Verwarring Brengen en het Evangelie van Christus Willen Verdraaien”. 

 

Wat bedoelt dhr. Bol hier nu mee te zeggen? Hij maakt duidelijk dat hoewel we aan de “kernwaarden van ons christelijk geloof” vast moeten houden, het Evangelie van Christus hier en daar tóch eningszins zal moeten worden gewijzigd. Dus: de kernwaarden van ons christelijk geloof (de goddelijkheid van Jezus, de Onbevlekte Ontvangenis van Jezus door Maria (nl. dat Jezus geboren werd uit een maagd), de goddelijke Drie-eenheid etc., zijn die “kernwaarden” die moeten worden gehandhaafd. Maar wat nu het zgn. “vervangingsdenken” betreft (de leer dat als zou de kerk de plaats van Israël en het Joodse volk ingenomen zou hebben, zal uit het Evangelie van Christus (zoals geleerd door de voorstanders van dit denken), moeten worden verwijderd. Of om het eens anders te zeggen: het Evangelie van Christus dient een “Joods tintje, kleurtje” te krijgen! Nu is datgene wat dhr. Bol hier voorstelt, beslist niet nieuw; de apostel, Paulus, waarschuwde al in zijn tijd tegen pogingen het christelijk evangelie te “Judaïseren” ofwel te verjoodsen. Lees maar mee:

“Ik verwonder mij erover dat u zich zo snel afwendt van Hem Die u in de genade van Christus geroepen heeft, naar een ander evangelie, terwijl er geen ander is; al zijn er ook sommigen die u in verwarring brengen en het Evangelie van Christus willen verdraaien”. (Galaten 1:6-7)

Paulus verwijt het de Galatische gelovigen nergens in zijn zendbrief dat zij de goddelijkheid van Jezus zouden ontkennen, of dat zij ontkend zouden hebben dat Jezus via de maagd, Maria, ter wereld was gekomen. Hij verwijt het hen ook niet dat zij de goddelijke Drie-eenheid ontkend hadden. Waarom niet? Eenvoudigweg omdat zij dit niet deden en zich als zodanig “aan de kernwaarden van ons christelijk geloof” hielden. Maar wat de apostel hen echter wél verwijt, is dat zij zich lieten Judaïseren (verjoodsen) door zich door valse Joodse leraren aan te laten praten dat het nodig was dat zij lichamelijk besneden moesten worden naar de Joodse wet. Nu vinden we dit laatste natuurlijk niet terug in het betoog van dhr. Bol; zowel in zijn gemeente waar hij predikt als alle overige kerken in Nederland (of waar ook elders  ter wereld) worden we nergens gemaand om nadat we Jezus hebben leren kennen, het ook nodig zou zijn om ons naar de Joodse wet ook nog lichamelijk te laten besnijden. Maar waar het om gaat, is dat we zowel bij dhr. Bol als de valse leraren waar Paulus de Galatische Christenen in zijn tijd voor waarschuwde, eenzelfde trend waarnemen: het verdraaien van het christelijk Evangelie door dit een Joodse tint te geven! En hoewel dhr. Bol het zo wel niet beslist niet zal bedoelen, zou dit op de langere termijn dat deze pogingen ertoe zouden kunnen leiden, dat vele kerken (zo niet álle kerken), geleidelijk aan onder de Joodse religie terecht zouden kunnen komen. We zouden hier bijvoorbeeld kunnen denken aan de zgn. Noachieten, bekeerlingen uit de niet-Joden tot het Joodse geloof; zij houden zich aan de vijf belangrijkste precepten van de Noachitische religie waarvan het eerste lid luidt dat het verboden is, afgoderij te plegen. Nu klinkt dit niet als iets wat verkeerd zou zijn en als we nu niet beter zouden weten, zouden we denken dat ook de Noachieten zich aan “de kernwaarden van ons christelijk geloof” zouden houden. Maar wat voor zowel henzélf als de buitenstaanders verhuld is gebleven, is dat Jezus binnen het Judaïsme als een “afgod” wordt beschouwd. En de straf die op het vereren van Jezus als God en Messias staat, is de doodstraf. En nee, deze Noachitische wetten zijn nu niet verplicht noch worden anderen ertoe gemaand die na te leven. Maar in de (nabije of verre) toekomst zal dit echter wél het geval zijn! En dhr. Bol zou weleens een van degenen kunnen zijn, die hiertoe onbewust de aanzet toe zouden kunnen geven! Wat zegt Paulus nu vérder over leraren die de Christenen trachten te verjoodsen? Hij geeft er hier de volgende beschrijving van:

“Maar zelfs als wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie zouden verkondigen, anders dan dat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Zoals wij al eerder gezegd hebben, zo zeg ik nu ook weer: Als iemand u een evangelie verkondigt anders dan wat u ontvangen hebt, die zij vervloekt”. (Galaten 1:8-9)

Dit zijn nu niet bepaald vleiende woorden die de apostel over de verjoodsende leraren van zijn tijd schreef! Wát Paulus zijn medebroeders en zusters in de Heer nu duidelijk trachtte te maken, is dat als zij gehoor zouden geven aan deze valse Joodse leraren, zij daarmee het eeuwige leven wat zij door hun geloof in Christus Jezus ontvangen hadden, hiermee op het spel zouden zetten! Hier had Paulus het volgende over te zeggen:

“Sta dan vast in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, en laat u niet weer met een juk van slavernij belasten. Zie, ik, Paulus, zeg u dat.als u zich laat besnijden, Christus u vann geen nut zal zijn. En nogmaals betuig ik aan iedere mens die zich laat besnijden, dat hij verplicht is de hele wet te onderhouden. U bent van Christus losgeraakt, u die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; en daarmee bent u uit de genade gevallen. Want wij verwachten door de Geest, uit het geloof, de gerechtigheid waar wij op hopen. In Christus Jezus heeft namelijk niet het besneden zijn enige kracht, en ook niet het onbesneden zijn, maar het geloof dat door de liefde werkzaam is. U liep zo goed; wie heeft u verhinderd de waarheid te blijven gehoorzamen? Deze overtreding is niet afkomstig van Hem Die u roept. Een beetje zuurdeeg doorzuurt het hele deeg. Ik vertrouw van u in de Heere dat u niet anders gezind zult zijn; maar hij die u in verwarring brengt, zal het oordeel dragen, wie hij ook is. Maar ik, broeders, als ik nog de besnijdenis verkondig, waarom wordt ik dan nog vervolgd? Dan is immers het struikelblok van het kruis tenietgedaan. Liete zij die u opruien, zich maar afsnijden!”. (Galaten 5:1-12)

Paulus waarschuwde zijn Galatische medebroeders in Christus voor de listen van deze Joodse leraren. Het waren nu de apostelen, Petrus en Barnabas, die in de val van deze Joodse leraren waren gelopen of dit dreigden te doen; Paulus kreeg dit in de gaten en berispte Petrus hier dan ook voor:

“Maar toen Petrus naar Antiochië gekomen was, ging ik openlijk tegen hem in, omdat hij te veroordelen was. Want voordat er enkelen uit de kring van Jakobus gekomen waren, at hij samen met de heidenen; maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor hen die van de besnijdenis waren. En ook de andere Joden huichelden met hem mee, zodat zelfs Barnabas zich door hun huichelarij liet meeslepen. Maar toen ik zag dat zij niet juist wandelden, overeenkomstig de waarheid van het Evangelie, zei ik tegen Petrus in het bijzijn van allen: Als u die een Jood bent, naar heidens gebruik leeft en niet naar Joods gebruik, waarom dwingt u dan de heidenen op de Joodse manier te leven?” (Galaten 2:11-14)

Vóórdat degenen die uit de kring van Jakobus verschenen waren, ging Petrus samen met de heidenen (niet-Joden) om; hij at met hen, hij ging gewoon met hen om. Toen die echter gearriveerd waren, werd Petrus bevreesd en besloot zich toen aan de Joodse wet te houden door zich bij hen aan te sluiten. En als zodanig leerde hij de heidense Christenen (met wie hij daarvoor nog vriendschappelijk als medebroeders in Christus omging) de Joodse wet te onderhouden doordat hij zichzelf van hen afgescheiden had. Ofwel: Petrus trachtte de heidense Christenen op deze wijze te verjoodsen! Paulus zag dit gevaar en wees Petrus daarom openlijk terecht om vérdere verjoodsing te voorkomen! Zou Petrus en degenen die hij met zich meenam zoals o.a. Barnabas, ongehinderd hun gang gegaan zijn, dan zou men er in de Galatische gemeent in die tijd al hebben gehad, wat we hier nu hier en daar al in bepaalde kerken zien: de verdeling vande kerk in de vorm van “Messias-belijdende Joden” en de “Christenen uit de volken” (niet-Joodse Christenen.) Maar de Bijbel leert een dergelijke verdeeldheid echter niet, want,

“Want u bent allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. Want u allen die in Christus gedoopt bent, hebt zich met Christus bekleed. Daarbij is het niet van belang dat men Jood is of Griek; daarbij is het niet van belang dat men slaaf is of vrije; daarbij is het niet van belang dat men man is of vrouw; want allen bent u één in Christus”. (Galaten 3:26-28)

En zoals dit in de gemeente te Galatië het geval was, was dit eveneens zo in alle ándere gemeenten waar Paulus zijn zendbrieven aan schreef!

 

Crysostomos, de Kerkvader. 

 

Dan keren we nu terug naar de prediking van dhr.Bol. We zullen hier niet álles van bespreken, maar slechts die onderwerpen die met o.a. de Bijbel en de kerkvaders te maken hebben. Jeroen Bol vertelt dat het feit dat de Joden “buiten de actieradius” van de kerk zijn gebleven terug te voeren valt op de “kerkvaders uit de eerste eeuwen van het Christendom”. Die leefden in het ná-apostolisch tijdperk. dhr. Bol heeft het dan over één van die kerkvaders, Chrysostomos, geheten. En dhr Bol vertelde het volgende (op 11:10 van de video) over hem:

“Het meest onverbloemd horen we het uit de mond van Crysostomos (en laten Luther vanmorgen met rust uit respect” (voor) “vijfhonderd jaar Reformatie.) Chrysostomos zegt ergens in eh, die zegt dus: “God haat hen (de Joden) en heeft ze inderdaad altíjd gehaat. Maar sinds ze Jezus hebben vermoord, geeft God hen geen tijd meer voor bekering. Wanneer het duidelijk is dat God hen haat, is het de plicht van Christenen om hen ook te haten”.  (Dat is nogal wat hè? Het is ongelooflijk!) De Bisschop van Antiochië sprak deze intussen beruchte woorden in en van zijn Paaspreken in het jaar 387 in Antiochië. Voor zover we kunnen nagaan, werd door niemand in die tijd bezwaar gemaakt tegen deze uitspraken van de Bisschop. Ook later niet. En de Orthodoxe Kerk eert Chrysostomos als een heilige. Daar Chrysostomos met deze uitspraken niet iets heel ongewoons zei (let op), dat Chrysostomos met deze uitspraken niet iets heel ongewoons zei, werd mij duidelijk toen ik het volgende las in een recent verschenen boek van Jules Isaac”. 

We zullen hier even pauzeren om het een en ander duidelijk te maken en recht te zetten. En dit doen we door de uitlatingen van Chrysostomos eens te analyseren.

 

Een Stuk Verborgen Geschiedenis & Analyse van de Uitlatingen van Chrysostomos. 

 

We zullen allereerst op moeten merken dat dhr. Bol, evenals vele andere Joodse mensen, totaal onbekend zijn met de wáre geschiedenis van het Joodse volk door de eeuwen heen. Het is dan ook ergens wel te begrijpen, dat zij hier en daar (onbewust én te goeder trouw) tot verkeerde conclusies gekomen zijn. De enige geschiedenis waar zij van op de hoogte zijn, is die, die we vinden in de vele gangbare geschiedenisboeken en naslagwerken waarover we de beschikking hebben. En die luidt dat de Joden door de eeuwen heen, onschuldig vervolgd zouden zijn door een “anti-Semitische overheid” en vnl. door een “christelijk-anti-Semitische Kerk”. De zgn. “beperkende maatregelen” die de Joden in de verschillende Europese landen werden opgelegd in o.a. de Middeleeuwen en daarna, werden hen opgelegd vanwege wat de Talmud over Christus Jezus, het Christendom in het bijzonder en de niet-Joodse wereld in het algemeen leerde. En die vele verzen in dit lijvige werk waren nu niet bepaald gunstig of vleiend te noemen! Jezus werd erin getypeerd als een misleider, een tovenaar, Die Zijn wonderen en tekenen had weten te doen nadat Hij in Egypte zou zijn geweest, waar Hij de “zwarte kunsten” geleerd zou hebben. Na te zijn teruggekeerd in Israël, had Hij getracht het Joodse volk tot afval van God te bewegen. Om die reden werd Hij door een rabbijns gerechtshof (het Sanhedrin) terecht ter dood veroordeeld. Maria, de moeder van God, werd in de Talmud getypeerd als een hoer “die het met vele timmerlieden deed”. Ook de niet-Joodse wereld komt er in de Talmud niet al te goed vanaf; vergeleken met de Joden zijn de “heidenen” slechts “dieren”. Luther was een van degenen die hier op een bepaald moment achter kwam en keerde zich na zich tot dan toe vriendelijk over de Joden uitgelaten te hebben, diametraal tégen hen. Een bekend voorbeeld van wat de Talmud leert over de relatie tussen Joden en niet-Joden (de “Gentiles” (“heidenen”), in de moderne tijd, kregen we van de in 2013 overleden Israëlische opperrabbijn, Ovadia Yosef. Die leerde dat de niet-Joden door God waren geschapen om hier uitsluitend de Joden te dienen. Zónder dit, “was er voor hen geen plaats in de wereld”. Het is echter niet vreemd dat dhr. Bol en vele andere Joodse medemensen dit evenals wij eerder, niet weten, daar dit voor iederéén goed verborgen was gebleven, todat … het internet er kwam, waar zaken zoals deze openbaar werden! Voor meer over de Talmud, zie talmudic.blogspot.nl en noahidenews.com/

Hier zullen we het bij laten en nu de uitlatingen van Chrysostomos analyseren. Allereerst de volgende woorden: “God haat hen en heeft hen altíjd gehaat”. Wát bedoelde de kervader hier nu te zeggen? Haatte God de Joden omdat zij slechts “Joden” waren? Dat is natuurlijk volkomen absurd; God had het Joodse volk eerder uitverkoren, dus wát bedoelde Chrysotomos nu te zegggen? Hiervoor gaan we naar Psalm 106. In de eerste vijf verzen prijst de Psalmist God om Zijn grote goedheid. Vanaf vers 6 lezen we er iets anders:

“Wij hebben gezondigd, evenals onze vaderen, wij hebben ons misdragen, wij hebben goddeloss gehandeld. Onze vaderen in Egypte hebben uw wonderen niet opgemerkt; zij hebben niet gedacht aan Uw talrijke blijken van goederteirenheid, maar waren ongehoorzaam bij de zee, de Schelfzee. Maar Hij verloste hen omwille van Zijn Naam, om Zijn macht bekend te maken. Hij bestrafte de Schelfzee, zodat ze droogviel; Hij deed hen door de diepe wateren gaan als door een woestijn. Hij verloste hen uit de hand van de hater, Hij bevrijdde hen uit de hand van de vijand. Water bedolf hun tegenstanders, niet één van hen bleef over. Toen geloofden zij Zijn woorden, zij zongen Zijn lof. Maar zij vergaten spoedig Zijn werken. Zij wachtten niet op Zijn raad, en werden met gulzigheid bevangen in de woestijn; zij stelden God op de proef in de wildernis. Toen gaf Hij hun wat zij begeerden, maar henzelf deed Hij uitteren. Zij werden jaloers op Mozes in het kamp, en op Aäron, de heilige van de HEERE. De aarde opende zich en verslond Dathan en bedolf de aanhang van Abiram. Een vuur brandde onder hun aanhang, een vlam verzengde de goddelozen. Zij maakten een kalf bij de Horeb en bogen zich neer voor een gegoten beeld. Zij ruilden hun Eer in voor het evenbeeld van een rund, dat gras eet. Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen had gedaan in Egypte, wonderen in het land van Cham, ontzagwekkende dingen bij de Schelfzee. Hij zei dat Hij hen zou wegvagen, als Mozes, Zijn uitverkorene, niet voor Zijn aangezicht in de bres had gestaan om Zijn grimmigheid af te wenden”. (verzen 6-23)

En zo gaat het in deze Psalm aan één stuk door; het is eigen één grote aanklacht tegen de Israëlieten, die ondanks de talloze weldaden van God, keer op keer van Hem afweken! In vers 34 lezen we bijvoorbeeld dat Israël de heidense volken (die door en door bedorven en verrot waren), niet weggevaagd hadden overeenkomstig het gebod van God, maar,

“Zij dienden hun afgoden, die hun tot een valstrik werden. Bovendien offerden zij hun zonen en dochters aan de demonen. Zij vergoten onschuldig bloed, het bloed van hun zonen en dochters. Zij offerden hen aan de afgoden van Kanaän, zodat het land door deze bloedschulden ontheiligd werd. Zij verontreinigden zichzelf door hun werken, zij bedreven hoererij door hun daden. Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Zijn volk. Hij had een afschuw van Zijn eigendom. Hij gaf hen in de hand van de heidenvolken; wie hen haatten, heersten over hen. Hun vijanden onderdrukten hen, zij werden vernederd onder hun hand”. (verzen 36-42)

Het bijbelboek, Richteren, is hier een goed voorbeeld van; steeds als de Israëlieten van God afgeweken waren en zij zich met de duistere heidenvolken en hun kinderoffers aan de Baäls en andere gruwelen hadden vermengd, liet God toe dat hun vijanden hen onderdrukten en knechtten, totdat zij weer tot inkeer kwamen en Hij hen vervolgens een Richter zond waarmee Hij hen bevrijdde. Daarna ging het dan voor zovele jaren goed, totdat zij daarna wéér de fout ingingen! En ja, God kréég na de vele malen dat Israël afgeweken was van God ook “een afschuw van Zijn eigendom”. En het zullen deze Psalm, het boek, Richteren (en andere delen van het Oude Testament) zijn geweest die Chrysostomos in gedachten had gehad toen hij zijn uitlatingen over de Joden in het jaar 387 deed! En nogmaals: dit zijn de “christelijke geschriften” waarin de Joden zo negatief worden afgeschilderd!

 

Chrysostomos: de Tweede Alinea. 

 

Dan gaan we nu naar de tweede alinea van de uitlating van Chrysostomos: “Maar sinds ze Jezus hebben vermoord, geeft God hen geen tijd meer voor bekering”. Wat het eerste deel van deze alinea aangaat (nl. dat de Joden Jezus zouden hebben vermoord) lezen we het volgende in de eerste zendbrief van Paulus aan de Thessalonicenzen: 

“Want u, broeders, bent navolgers geworden van de gemeenten van God die in Judea zijn, in Christus Jezus, omdat ook u hetzelfde geleden hebt als zij van de Joden, die zowel de Heere Jezus als hun eigen profeten hebben gedood en ons hebben vervolgd. Zij behagen God niet en zijn alle mensen vijandig gezind”. (1 Thessalonicenzen 2:14-15)

Wat Chrysostomos tijdens zijn Paaspredikingen in het jaar 387 over de Joden zei, is dus waar! Daarnaast zal deze kerkvader er ook wel op de hoogte van zijn geweest dat de Joden God niet behaagden en tevens een vijand voor de hele mensheid waren! Dhr. Bol brengt deze alinea van Chrysostomos echter niet in verband met wat Paulus in zijn eerste brief aan de Thessalonicenze schreef! Dan de volgende alinea, “… geeft God hen geen tijd meer voor bekering”. Het is echter hier dat Chrysostomos zélf de fout in gaat; in zijn zendbrief aan de Romeinse Christenen wijdt Paulus de hoofdstukken 9, 10 en 11 aan Israël. In de verzen 13-16 maakt de apostel de Christenen duidelijk dat zij door de verwerping van Israël door God, in haar plaats zijn gekomen (tja, hier hebben we nu die door christenzionisten zo verfoeide vervangingstheologie!), niet verwaand moeten worden. Paulus vergelijkt de verwerping van Israël met de symbolische “afgebroken takken”. En hij zegt er hier het volgende over:

“Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid van de olijfboom, beroem u dan niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u. U zult dan zeggen: D takken zijn afgebroken, opdat ik zou worden geënt. Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees. Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart. Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, over u echter goedertierenheid, als u in de goedertierenheid blijft. Anders zult ook u afgehouwen worden. En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, geënt worden. Want God is machtig hen opnieuw te enten. Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt bent, hoeveel temeer zullen zij die natuurlijke takken zijn, geënt worden op hun eigen olijfboom”. (Romeinen 11:17-24)

Wat we hier lezen, is belangrijk: De Romeinse Christenen meenden, nu zij zelf deel uit waren gaan maken van de uitverkorenen Gods als “wilde takken, afkomstig van een “wilde olijfboom”, dat er voor het gevallen Israël nu geen redding meer moglijk was! Om die reden waren zij neer gaan kijken op de Joodse “gevallen takken”. Maar Paulus maant hen dit juist níet te doen; God zou hen evengoed niet sparen als zijzelf niet bij de goedertierenheid Gods zouden blijven. En God was in staat, deze “gevallen Joodse takken” weer opnieuw in te enten als zij niet in het ongeloof zouden blijven! Welnu: diezélfde fout die de Romeinse Christenen eerder maakten, werd later door Chrysostomos weer herhaald! Had hij de Romeinenbrief van Paulus maar beter bestudeerd, dan zou de kerkvader die fout niet hebben gemaakt! Want zelfs al hádden de Joden Christus eerder verworpen, betekende dit niet dat zij níet meer gered zouden kunnen worden! Ook voor hén (die de “natuurlijke takken” uit het Oude Testament waren), stond de deur voor redding door geloof in Jezus nog altijd open! Dhr Bol legt echter geen verband tussen de uitlatingen van de kerkvader en wat Romeinen 11:17-24 zegt. Volgens hem haatte Chrysostomos de Joden omdat ook God hen gehaat had. zónder enig verder commentaar; als ook híj Romeinen 11:17-24 had gelezen, zou ook híj de fout van Chrysostomos op bijblse wijze hebben kunnen corrigeren. Maar dit kan hij alsnog doen natuurlijk!

 

De Joden als Énige Uitverkoren Volk van God & De Vroegere Kerk: Vervolgd door Joden. 

 

Zoals te zien is, hebben we o.a Thessalonicenzen 2:14-15 geciteerd waar Paulus schrijft dat de Joden verantwoordelijk waren voor zowel de dood van Jezus als hun eigen profeten en zij de hele mensheid als hun vijand beschouwden. Nu citeren we vers 16:

“Zij verhinderen ons tot de heidenen te spreken opdat die zalig zouden worden. Zo maken zij voor altijd de maat van hun zonden vol. En de toorn is over hen gekomen tot het einde”. 

Nu, wát zegt Paulus hier nu? Eerst schrijft hij aan de Thessalonicaanse Christenen dat de Joden de evangelisatiezending van de apostel onder de niet-Joden flink tegenwerkten en die voortdurend trachtten te belemmeren! Waarom? Omdat de Joden meenden dat zij het énige uitverkoren volk van God meenden te zijn; een “niet-Joods uitverkoren volk” hoorde daar niet bij! Het tweede wat hier opvalt, is dat de vroegere kerk vervolgd werd door vnl. Joden! Het boek, Handelingen, geeft hier verschillende voorbeelden van. Het is daarom dan ook zeer ongelukkig (en oneerlijk) van dhr. Bol, om deze bijbelse onderwerpen maar over te slaan en direct naar de kerkvaders (Chrysostomos)  te gaan om er het zgn. “christelijk anti-Judaïsme” mee in stand te houden! Ook híj heeft immers een Bijbel waar -uiteraard!- dezélfde waarheden in staan! Die wordt door hem echter gebruikt om er de Kerk op haar plicht voor de naatsenliefde te wijzen (hetgeen op zichzelf natuurlijk juist is.) Daarnaast haalt dhr. Bol slechts Joodse auteurs aan om er zijn stelling van een “christelijk anti-Semitisme” mee te onderbouwen; het zijn echter de kerkvaders (w.o Chrysostomos zoals we gezien hebben), die door hem op negatieve wijze worden afgeschilderd als “Jodenhaters”! Aangezien dhr. Bol de wáre geschiedenis van het Joodse volk gedurende het kerkelijk tijdperk niet kent, moet echter worden gezegd, dat het juist deze verborgen geschiedenis is, die altijd ‘een groot geheim” is geweest … tot nu toe…

 

Israël in het Ná-Apostolisch Tijdperk: Verslechtering van de Geestelijke Situatie. 

 

Tenslotte dient hier nog het volgende aan te worden toegevoegd: Ná het apostolisch tijdperk zou de geestelijke toestand van Israël vérder verslechteren! Jezus had dit eigenlijk al voorzegd en wel door middel van een parabel, een gelijkenis. En die luidt als volgt:

“Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, en als hij die niet vindt, zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren. En als hij komt, vindt hij het geveegd en op orde. Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mede, bozer dan hijzelf; en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met die mens in het einde erger dan in het begin”. (Lucas 11:24-26, NBG)

Israël werd hier vergeleken met een mens bij wie een geest uitgevaren was; tijdens Zijn bediening in Israël hield Jezus er “grote schoonmaak” door er o.a boze geesten uit te drijven. Behoudens een kleine groep Joden, een “gelovig overblijfsel”, had de meerderheid Jezus echter afgewezen, verworpen en tenslotte gedood. Het “huis” was intussen “geveegd en op orde”. Doordat Jezus, het “Licht der wereld” er nu niet meer op aarde was, verslechterde de geestelijke toestand van Israël later aanzienlijk; na de verdrijving der Joden uit Israël door de Romeinse keizer, Hadrianus, keerde de meerderheid van de Joodse bevolking vanuit Israël terug naar het oude Babylon, waar de meerderheid sinds het decreet van “Kores, de koning van Perzië”, (2 Kronieken 36:22-23 en Ezra 1:1-4) achtergebleven was. Daar stichtten zij Talmudische scholen en universiteiten.

 

Van Israëlieten tot Khazariërs; het Dieptepunt. 

 

Later trok een deel ook daar weg en via omwegen daalden zij af naar wat nu Zuid-Rusland is en kwamen zij dan in contact met een krijgszuchtig volk, de Khazariërs genaamd. Na overleg gepleegd te hebben met drie vertegenwoordigers van de drie grote religies, het Christendom, de Islam en het Judaïsme, besloot de koning der Khazariërs, Bulan geheten, over te gaan tot de laatste geloofsovertuiging. Uiterlijk scheen hij zich aan het Oude Testament te houden; in werkelijkheid hield Bulan zich evenals zijn koninklijk hof heimelijk aan de Talmud. Aanvankelijk bekeerden zich slechts de koning zelf en de adel. Diens opvolger, Obadjah, genaamd, zette meer vaart achter de bekeringsijver en na enige tijd waren zowat al de Khazarianen bekeerd en dus “Joden” geworden. En zo verslechterde de situatie van Israël/Khazaria nog meer; de natie was regelmatig verwikkeld in oorlogen met de naburige staten en nadat zij een zware nederlaag hadden geleden, werden de Khazariërs uit hun gebied verdreven en kwamen geleidelijk via Polen en Oost-Europa, West-Europa binnen waar zij zich vestigden. En het was daar dat Maarten Luther (die er niet van op de hoogte was dat hij er met de Joden eigenlijk met bekeerde Khazariërs van doen had!), op een bepaald moment ontdekte wat de Talmud zoal leert over Christus, het Christendom en de niet-Joodse wereld. Van die tijd af waarschuwde de Reformator de christelijke overheden en de Kerk voor wat de Talmud over hen te zeggen had. Het was om die reden dat de Joden er beperkende maatregelen werden opgelegd, gedwongen werden zich tot het Christendom te bekeren (waarbij zij veinsden zich aan de christelijke religie te houden maar achter gesloten deuren hun Talmudische overtuiging handhaafden), tenslotte weer uit verschillende West-Europese landen verdreven werden.

 

Bevrijding van de Talmudische Tradities. 

 

Later zou de “bevrijding” komen in deze, dat vele Joden zouden besluiten met de Talmudische tradities te breken; tot dan toe hadden de rabbijnen er een absoluut en dictatoriaal gezag over hun Joodse onderdanen uitgeoefend. En de christelijke overheden die hierbij wélvoeren (ja, ook de christelijke heersers hadden evenals de Kerk niet altíjd even schone handen!), eisten dat bij elke overteding door een Jood van de Talmudische voorschriften waarbij hij zwaar door de rabbijn werd gestraft, een deel van de geldboet zou worden overgemaakt naar de overheid en/of de Kerk.Vele Joden kregen hier uiteindelijk schoon genoeg van en braken zoals gezegd met de Talmudische tradities. Dit gebeurde vnl. in tijden waarin de overheid zwak was, waardoor die de Joden en dus ook de rabbijnen niet meer kon beschermen. Als gevolg taande ook de invloed en macht van de rabbijnen over hun Joodse onderdanen en besloten zij de Talmud vaarwel te zeggen. En al spoedig zouden hun kinderen ná hen en op hun beurt weer die kinderen ná hen, vergeten dat er ooit iets als een Talmudische traditie was geweest…

 

De Toekomst: op Weg naar naar een Joods-Talmudische Wereldorde. 

 

Hoewel talloze Joden besloten hadden de Talmud vaarwel te zeggen, was er toch een bepaalde groep die dit niet zou doen. In het Tsaristische Rusland van de 17e en 18e eeuw braken regelmatig pogroms tegen de Joden uit nadat delen van de Russiche bevolking ontdekt hadden wat de Talmud over hen leerde. De Russische overheid die deze pogroms vaak wilde voorkomen en tegelijkertijd de eigen bevolking tegen de Joodse kuiperijen en machinaties trachtte te beschermen, vaardigde restricties tegen de Joden uit die hen in hun vrijheidsbeweging beperkten; zij mochten ook niet aan alle beroepen en ambachten deelnemen. Verder werden zij gedwongen om in een reusachtig ghetto te verblijven, de “Peale of Settlements” (om het maar eens in het Engels uit te drukken.) Vele van deze Joden namen dan de vlucht naar vnl. de Verenigde Staten en Groot-Brittanië. Daar wisten zij zich na enige tijd op te werken om er hoge strategische posities te bereiken. En zo kon het geschieden dat zij er geleidelijk aan de “verborgen macht achter de schermen” werden en zo een “staat bínnen de staat” vormden. Het zou vandaar zijn dat zij er zowel het binnenlandse als het buitenlandse beleid van deze landen zouden gaan bepalen. Vanuit deze landen zouden deze intussen machtig en invloedrijk geworden Talmudische Joden ervoor zorgen dat Duitsland tweemaal de nederlaag zou lijden tijdens de twee wereldoorlogen; Groot-Brittanië zou gedienstig zijn om de Joden uiteindelijk via de “Balfour-Declaration” een Joods thuisland in Palestina te geven.

 

En op 14 mei 1948 (afgelopen maandag 14 mei 2018 precies zeventig jaar geleden), werd er door David Ben-Gurion in Israël de Israëlische Onafhankelijkheidsverklaring uitgeroepen. Na de door Joodse terroristen gepleegde Palestijnse genocide (waabij een deel van de Palestijnen gruwelijk werden vermoord en de overlevenden in slordige VN-vluchtelingenkampen terecht kwamen), hadden de Joden nu een eigen staat. En na drie oorlogen met de omringende Arabische landen uitgevochten te hebben (de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog, de Zesdaagse Oorlog en de Yom Kippur-oorlog), was Israël heer en meester in het land. Later zou er achter de schermen het zgn. Oded Yinon-plan voor een Groot-Israël in het Midden-Oosten worden opgezet, wat nu geleidelijk aan stukje bij beetje wordt uitgewerkt: de destabilisatie van de landen in en rond het Midden-Oosten zoals Afghanistan, Iraq, Libië, Syrië (en later mogelijk ook Iran.) Hierbij toonden de Verenigde Staten en Groot-Brittannië zich de gedienstige “proxy” voor Israël die er haar oorlogen voor voerden tegen Afghanistan en Iraq, om de regio er gereed te maken voor een Israëlische hegemonie. En David Ben-Gurion zag het zich in 1961 al helemaal voor zich; in het tijdschrift, “Look Magazine” (januari 1961) maakte hij duidelijk dat er eens in Jeruzalem een Hooggerechtshof der Mensheid zal worden opgericht, waar de onderlinge geschillen tussen leden van een wereldfederatie van landen zullen worden beslecht. Tevens zou er een “wáre Verenigde Naties” worden opgericht en Jeruzalem als hoofdstad der wereld en Israël zelf als “hoofdstaat der wereld”: het begin van de vorming van een Joods-Talmudische Wereldorde. 

 

Een Joodse Wereldleider: de Antichrist. 

 

En eens zal dan de figuur verschijnen die we in Openbaring 13 beschreven zien: de antichrist, een Talmudisch-Joodse wereldleider van formaat die na een tijd van vrede en voorspoed voor de mensheid gebracht te hebben, dan zijn masker af zal werpen en zo zijn wáre gezicht zal laten zien. Hij zal de wereld vanuit Jeruzalem met harde en ijzeren hand regreren en uiteindelijk eisen dat hij als “God” zal worden vereerd door van iedereen te eisen dat zij zijn satanische merkteken zullen accepteren; eenieder die weigert, zal ter dood worden gebracht! In  die tijd zullen de niet-Joodse volken intussen onderworpen zijn aan de Noachitische Wetten, waaronder het verboden zal zijn, om o.a. afgoderij te plegen. Volgens de Talmud was Jezus een misleider en bedrieger Die Zijn gaven om mensen in Israël te genezen gebruikte om het volk tot afval van God te brengen en wordt Hij dus beschouwd als een “afgod”. Die Christenen die Jezus dan nog steeds als hun Verlosser en Redder beschouwen en als zodanig aanbidden en vereren, zal het erop uitlopen dat die een keuze moeten zullen maken: óf zij kiezen voor de wereldleider als “God” en verloochenen zij zo Christus Jezus, óf zij kiezen voor Jezus en zullen dan door middel van onthoofding ter dood worden gebracht.

 

De Christenzionisten: een Ruw Ontwaken. 

 

Er zal echter één groep zijn die hierbij een ruw ontwaken zal beleven; het zijn zíj, die toen we nog in betrekkelijke vrijheid leefden, het absoluut nodig vonden, Israël met alle middelen te steunen en te helpen, daar zij meenden dat dit een “goddelijke opdracht” was: de christenzionisten! Het zullen zij (of hun nakomelingen) zijn, die uiteindelijk met de harde waarheid zullen worden geconfronteerd: Al die jaren hadden zij via op een onbijbels fundament gebaseerde pro-Israëlische doctrine Israël gesteund en aldus “gezegend” in de zekere verwachting dat ook zíj een “gezegend” zouden worden. Het is dán dat zij uiteindelijk gewaar zullen worden, dat zij al die jaren bezig waren geweest, hún steentje bijgedragen te hebben aan de Joodse Nieuwe Wereldorde en hiermee de grootste vijand van het Christendom, het Talmudische Jodendom, geholpen hebben! En dit zal dan de “zegen” zijn die zij zullen ontvangen: zij zullen dan in de grootste schande terecht komen; het is één ding om te lijden wanneer men de waarheid over Israël openbaart, het is echter iets heel ánders als men lijden moet door eigen dwaasheid, bijbelse ongeletterdheid en onkunde, door Israël langs alle kanten te steunen, alle kritiek op Israël af te doen als “anti-Semitisme” waarna zij verder niets meer in te brengen hebben! Het is daarom zeer noodzakelijk en zeer dringend dat zij eens goede bijbelse voorlichting zullen krijgen, waarbij zij eens zullen moeten erkennen dat de door hen zo verfoeide “vervangingsleer” een bijbels feit is! Het zgn. “nieuwe Israël” (de Kerk) is uit het “Oude Israël” (het Oud-Testamentische Israël) voortgekomen en aan dit “nieuwe Israël” heeft God het Koninkrijk Gods wat Hij eerder van het “oude Israël” had afgenomen (Mattheüs 21:41) gegeven aan de Kerk. En daar heeft Jeroen Bol nu de meest grootste moeite mee om dit te erkennen. een van de redenen is dat hij (en andere christenzionisten) het verschil tussen de twee verbonden niet ziet; het eerste, Oude Verbond (oude Testament) en het Nieuwe Verbond (Nieuwe Testament wat eigenlijk begonnen is met de dood van Jezus aan het kruis en niet tijdens Zijn geboorte!) De bediening van Jezus in Israël had plaats onder het Oude Verbond. Het Nieuwe Verbond wat het oude nu vervangen heeft (Hebreeën 8:7-13) begon vanaf Jezus’ sterven en beslaat vervolgens de periode in Handelingen, de zendbrieven van de verschillende apostelen aan de gelovigen en duurt tot in onze tijd voort. Dit samengevat, is het kerkelijk tijdperk. Het is daarom zeer te hopen dat zij de Bijbel eens op de juiste wijze zullen gaan lezen waarbij zij ook eens de moed op zullen moeten brengen, de wáre geschiedenis van het Joodse volk door de eeuwen heen eens te ontdekken en te accepteren. Weigeren zij echter en doen zij dit niet, dan bereiden zij voor zichzelf (én voor anderen die door hen beïnvloed zijn), een grote ramp (en dan nog afgezien van het feit wat zij eens te horen zullen krijgen van Jezus als zij na hun heengaan eens voor Zijn troon zullen staan!)

 

Ton Nuiten – Zaterdag 19 Mei 2018.

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s