De Israël-Doctrine.

Reeds enige tijd wordt er in verschillende kerken en door christelijke stichtingen en organisaties een “evangelie” verkondigd, wat zeer afwijkt van de Bijbel. Dit evangelie (wat ik de “Israël-doctrine” noem), is een leer waarbij Israël en het Joodse volk op een voetstuk geplaatst worden, terwijl Christenen (en tevens de niet-Christenen), een lagere plaats toebedeeld krijgen. Men gaat er hierbij van uit dat het Joodse volk als geheel nog áltijd het uitverkoren volk van God zou zijn. Ook leren de aanhangers van deze visie dat het Joodse volk eens de aarde zal be-erven en over alle overige volken zal regeren. Het probleem met deze leer is, dat hier eerder de nadruk op het Joods-zijn óp zich, wordt gelegd dan op een geestelijke relatie met Jezus Christus. Zij, die de Bijbel op de juiste wijze kennen (en die ook zo weten te verklaren), weten bijvoorbeeld dat íeder mens pas tot God komt via Jezus Chjristus, Zijn Zoon; we lezen immers:

“Jezus zeide tot hem (de apostel Thomas) “Ik ben de Weg, en de Waarheid en het Leven; niemand komt tot den Vader dan door Mij.” (Johannes 14:6)

De Heere Jezus zegt hier dus, dat Hij alléén dé wáre Weg tot God is en dat men búiten Hem God niet zal ontmoeten. De Bijbel leert dat slechts zíj die door Jezus aanvaard te hebben als hun Redder en Heer, de wáre uitverkorenen Gods zijn. En daar behoren állen toe, die Jezus als hun Zaligmaker kennen, zowel Jood als niet-Jood. Dit leert de Bijbel helder en klaar:

“Want gij zij allen zonen van God door het geloof in Christus Jezus. Want gij allen die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk; gij allen zijt immers één in Christus Jezus. Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.” (Galaten 3:26-29 NBG-vert.)

Het woord “Griek” staat hier voor “niet-Jood”, “heiden” en wil zeggen dat zij die níet uit het Joodse volk zijn, sámen mét de gelovige Joden in het heil van Jezus delen. Verder zien we dat zij die in Jezus geloven, tevens erfgenamen ofwel het wáre zaad, de wáre nakomelingen van de patriarch Abraham zijn; het is dus door het geloof in de Heere Jezus, dat Christenen deel hebben aan deze erfenis. En de apostel Petrus waagt het, dit te zeggen:

“Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koniklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.” (1 Petrus 2:9)

En tot wie sprak Petrus hier? De mensen tot wie hij zich richtte, waren niet-Joden, “de vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galátië, Kappadocië, Azië en Bithynië.” (1 Petrus 1:1) In het tweede vers van laatstgenoemd hoofdstuk worden deze gelovige niet-Joden “Den uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader” genoemd. En dit omdat zij in de Heere Jezus waren gaan geloven én Hem als hun Redder geaccepteerd hadden! En de apostel Paulus (die tevens andere brieven geschreven heeft o. a. aan de Gemeente te Galátië waaruit we zojuist geciteerd hebben), zegt tot de gelovige Corinthiërs:

“Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt.”

Dit “éne lichaam” is de Gemeente, de Kerk van Jezus. Ook híet zien we dat er wat de gelovigen in Jezus betreft, geen enkel verschil is tuusen Joden en niet-Joden. Of we nu Joodse, Turkse, Marokkaanse  afkomst zijn, of we nu bruin, zwart of wát dan ook zijn, voor God zijn we állemaal gelijk! En dát God geen enkel verschil tussen mensen maakt, lezen we hier:

“Want er is geen aanneming des persoons bij God.” (Romeinen 2:11)

We zien dus dat God niemand achterstelt of naar voren haalt, ten koste van anderen; het gaat Hem erom of we geloven in Zijn eniggeboren Zoon, Jezus Christus. En zo zijn er verder nog meer passages aan te halen die ons duidelijk maken dat gelovige Joden en niet-Joden samen verenigd en één zijn in één Lichaam: de Gemeente van Jezus Christus. Langs deze weg wil ik de Christenen die dit alles lezen, aanmoedigen om zélf hun Bijbel te (gaan) lezen om te zien wat Gód te zeggen heeft.

                                 En dan nu: De Israël-doctrine.

Lange tijd is het gewoon geweest dat de Gemeente, haar leiders en gelovigen, zichzélf als de uitverkorenen Gods beschouwden. En zoals we hierboven gezien hebben, was dit volkomen juist. Maar ergens in de 19e eeuw heeft er het een en ander plaatsgevonden wat ervoor gezorgd heeft dat het niet in Jezus gelovende Joodse volk geleidelijk aan als de uitverkorenen werden gezien. De aanhangers van deze Israël-doctrine waren gaan geloven, dat het Joodse volk als geheel nog het door God verkozen volk was. Voor hen leek dit nog eens extra benadrukt te worden toen de toenmalige eerste minister van Israël, David Ben-Gürion, op 14 mei 1948 de staat Israël uitriep. Voor hen was het toen duidelijk: deze proclamatie zou het begin van de vervulling van vele Oud-Testamentische profetieën zijn waarin gesproken werd over de terugkeer van het Joodse volk naar het beloofde land. En het waren slechts díe profetieën die door de aanhangers van de Israël-doctrine aangehaald werden om datgene wat er op 14 mei 1948 plaatsgevonden had, te bewijzen dat het hier om een goddelijk wonder ging. Zij vergeten echter één ding: de Bijbel heeft heel wat méér over het Joodse volk te zeggen dan wat we in de meeste christelijke dagbladen en tijdschriften tot nu toe gelezen hebben! Zo lezen we dat vóórdat het Joodse volk legaal en wettig naar het land terug konden keren, het zich éérst weer tot God zou wenden en hun zonden zouden belijden! Laten we eens Leviticus 26 in het kort bespreken. De eerste 13 verzen hebben betrekking op de zegeningen van God die het Joodse volk ontvangen zou als het God zou gehoorzamen en Zijn geboden zou onderhouden. En wat waren deze geboden? Wel, dat waren er heel wat, maar de belangrijkste geboden waren dat het volk God bóven álles lief moest hebben en hun naaste (jood én niet-Jood) als zichzelf. Zo lezen we o. a. dit:

“En wanneer een vreemdeling bij u in uw land vertoeft, zult gij hem niet onderdrukken. Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling gelden, die bij u vertoeft; gij zult hem liefhebben als uzelf want gij zijt vreemdelingen geweest in het land Egypte.” (Leviticus 19:33-34 NBG-vert.)

Dit gebod komt ook elders in de Oud-Testamentische boeken voor. Steeds echter, als de Israëlieten tot afgoderij vervallen waren, maakten zij zich schuldig aan het onderdrukken van zowel de arme mede-Jood als de vreemdeling en het is dít waar de Oud-Testamentische profeten zo fel tegen ageerden. De Oud-Testamentische geschiedenis leert echter dat Israël (enkele zeldzame uitzonderingen daargelaten), zich hier weing aan gelegen liet liggen, deze boodschappers van God begonnen te onderdrukken en hen tenslotte ter dood brachten. En het was doordat zij dit en andere geboden vaak met voeten traden dat God het volk tuchtigde om het van haar verkeerde weg terug te brengen, naar Hem. Het boek Richteren is hier een goed voorbeeld van; steeds lezen we “En de Israëlieten deden wat kwaad was in de ogen des Heeren” waarop God hen pas na lange tijd overgaf in de macht van een vijandige natie die hen voor zovele jaren op hun beurt verdrukte, totdat het volk weer bij zinnen kwam, zich tot God bekeerde en Hij hen een richter gaf waarmee Hij Israël uit de macht van de vijand bevrijdde. Leviticus 26 laat ook zien dat als Israël langdurig Gods geboden zou versmaden, Hij het eenmaal over de wereld zou verstrooien. Uiteindelijk is dit ook gebeurd; in 597 v. Chr. werd het overgebleven Juda (het Zuidelijk Koninkrijk) door de Babylonische koning Nebukadnessar en zijn legers veroverd, Jeruzalem werd ingenomen en verwoest. Het Noordelijke Koninkrijk, Israël, was al ong. 250 jaar daavóór door de Assyriërs in ballingschap gevoerd. Van deze laatsten is sindsdien niets meer vernomen; zeer waarschijnlijk zijn zij deze “tien stammen” opgegaan temidden van andere volken. De Judeërs werden echter als balling naar Babylon gevoerd en het was daar dat zij voor de eerste maal in een hun vijandige omgeving kwamen waar zij het zónder hun geliefde tempel en de daarmee gepaardgaande rituelen en ceremonieën moesten doen. Nu had God áls het zover zou komen, het volk een eis voorgehouden: Het kon dán pas terugkeren nadat het zich in den vreemde éérst (weer) tot God bekeerd zou hebben! We lezen dan:

“Maar belijden zij hun ongerechtigheid en die van hun vaderen in de ontrouw waarmede zij tegen Mij ontrouw zijn geweest en ook dat zij zich tegen Mij verzet hebben -ook Ik verzette Mij tegen hen en bracht hen in het land hunner vijanden- of vernedert zich dan hun onbesneden hart en boeten zij dan hun ongerechtigheid, dan zal Ik Mijn verbond met Jakob gedenken; ook Mijn verbond met Izaak en ook Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken en Ik zal het land gedenken.” (Leviticus 26:40-42 NBG-vert.)

We zien hier dat nadat het verbond met God door Israël verbroken was door hun voortdurende ontrouw aan God, Hij op Zijn beurt Zich afwendde van het volk. Er zijn echter nog enkele andere vergelijkbare passages zoals de laatstgeciteerde zoals bijvoorbeeld deze:

“Wanneer dan al deze dingen over u komen, de zegen en de vloek, die ik u voorgehouden heb” (zei Mozes) “en gij dit ter harte neemt te midden van al de volken naar wier gebied de Heere uw God u verdreven heeft, en wanneer gij u dan tot den Heere uw God bekeert en naar Zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebiedt, gij en uw kinderen, met geheel uw hart en geheel uw ziel- dán zal de Heere uw God in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen; Hij zal u weer bijeen brengen uit al de volken naar wier gebied de Heere uw God u verstrooid heeft.” (Deuteronomium 30:1-4 NBG-vert.)

Deze twee passages maken zoals we al gezien hebben, één ding goed duidelijk: éérst bekering, dán pas terug naar het land. Deze eis, deze voorwaarde, werd echter wél vervuld door de profeet Nehemia; nadat hij als schenker voor de Perzische koning van de weinige achetrgebleven Joden hoort hoe Jeruzalem en het land erbij liggen, komt Nehemia tot inkeer en belijdt zíjun zonden en die van het volk en hun vaderen:

“Zodra ik deze woorden hoorde, zette ik mij neder, weende en bedreef rouw, dagen lang. Ook vastte en bad ik voor het aangezicht van de God des hemels en zeide: Ach Heere, God des hemels, grote en geduchte God Die het verbond en de goedertiernheid gestand doet jegens hen die u liefhebben en Uw geboden onderhouden, laat toch Uw oor opmerkzaam en Uw ogen geopend zijn om te horen naar het gebed van Uw knecht dat ik thans dag en nacht voor de Israëlieten uw knechten, tot U opzend; en ik doe belijdenis van de zonden der Israëlieten die wij tegen U bedreven hebben; ook ik en mijn familie, wij hebben gezondigd. Zwaar hebben wij tegen U misdreven; wij hebben niet onderhouden de geboden, inzettingen en verordeningen die Gij aan Uw knecht Mozes geboden hadt. Doch gedenk aan het woord wat Gij Uw knecht Mozes voorgehouden hebt: p0leegt gij trouwbreuk, dan zal Ik u onder de volken verstooiien. Maar bekeert gij u tot Mij en onderhoudt gij naarstig Mijn geboden- al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar vergaderen en hen brengen naar de plaats die Ik verkoren heb om daar Mijn Naam te doen wonen.” (Nehemia 1: 4-9 NBG-vert.)

Nehemia was er zich nadat hij eenmaal door God als profeet geroepen was, van bewust dat Hij éérst bekering eiste waarna zij nadat zij tot God teruggekeerd waren, Hij hen op Zijn beurt terug zou brengen naar het land. Naast Nehemia heeft zich verder het hele volk zich tot God bekeerd. En zo trok er een klein overblijfsel (de meerderheid van het Joodse volk wat zich intussen níet bekeerd had, bleef nl. in Babylon achter) onder leiding van Nehemia en Ezra terug naar het land. Tot zover deze uitleg.

 

              Wél Teruggekeerd, maar…Geen Bekering!

 

Wel, een vraag waar de aanhangers van de Israël-doctrine géén rekening mee gehouden hebben, is deze: hebben de leiders en het volk vóórdat zij naar het land (wat toen nog Palestina heette), zich eerst tot God (de Heere Jezus Christus) bekeerd? Het antwoord is: nee; dit valt o. a. op te merken aan het identiteitssymbool op de Israëlische vlag. De blauwe Davidster, Magen David, Salomonszegel, zespuntige ster met de twee eveneens blauwe strepen op een witte achtergrond, is niets minder dan het symbool van een van de afgoden die door de oude Israëlieten vereerd werden! Verder is deze ster een zeer bekend en belangrijk occult symbool in de occulte wereld. Daarnaast worden de mensenrechten door de opeenvolgende Israëlische regeringen vanaf het begin van het ontstaan van Israël stelselmatig geschonden; de Palestijnen die er vóórdat de Zionistische Joden er kwamen, eeuwen lang vreedzaam met Joden samengeleefd hadden, worden tot nu toe zwaar door Israël onderdrukt. En tóch, tóch slagen de aanhangers van de Israël-doctrine erin, te verkondigen dat alle vormen van gerechtvaardigde kritiek op dit wangedrag niets anders zou zijn dan een maar niet te verklaren vorm van antisemitisme! Zij gaan zelfs zóver dat zij eenieder die ook maar énige kritiek op Israël heeft, bedreigen met “wie Gods oogappel aanraakt, raakt God aan.” En dat niet alleen; ons is vanaf het begin van de stichting van Israël het volgende (verzonnen) verhaal voorgehouden: nadat de Joden (of beter: een deel ervan) naar Palestina teruggekeerd waren en er later de staat Israël geproclameerd hadden, besloten de leiders van de Arabische buurlanden (Egypte, Jordanië, Syrië etc.) tot een massale verrassingsaanval op de toen nog prille Joodse staat. Deze leiders hadden de Palestijnen verteld dat die tijdelijk huis en haard achter zich zouden laten totdat zij de Joden weer verdreven zouden hebben en de overwinning zouden hebben behaald. Daarna konden die weer terugkeren en samen met deze leiders de overwinning op het Joodse volk vieren. Maar hier zou niets van terechtkomen; Israël wist zich in wat voor velen een godswonder geweest moest zijn, niet slechts staande te houden tegenover deze Arabische overmacht, het kleine land behaalde zelfs een klinkende overwinning! En het is déze versie die ons vanaf het begin als “absolute waarheid” voorgehouden is.

                         De Herschreven Geschiedenis.

Jaren later (en dan spreken we over het jaar 2006), komt er een Israëlische historicus met een boek, “The Ethnic Cleansing of Palestine” (De Ethnische Zuivering van Palestina) getiteld waarin het bovenstaande verhaal over de onschuldige  Zionistische Joden en de antisemitische Palestijnen ontmaskerd wordt voor wat het inderdaad is: Een Joodse fabel! Want wat blijkt? Deze moedige Joodse historicus toont d. m. v. Israëlische documenten en dagboeken van enkele hoge Joodse leiders uit die tijd aan dat het Zionistische Joden waren die goedopgeleid en militair uitgerust door het toenmalige Russich Rode Leger, Palestina binnenvielen en er zowat al de Palestijnse steden en dorpen met de grond gelijk maakten de inwoners ervan op wrede wijze vermoordde en de overlevenden wegdreef. Dit wrede plan was door niemand minder dan de reeds genoemde eerste premier van Israël, David Ben-Gürion, opgesteld en had de naam Plan D (Plan Dalet) gekregen. Deze zuiveringen werden door de Israëlische leiders “militaire acties” genoemd om tegenover de wereld de schijn te wekken dat hun acties gericht zouden zijn tegen “terroristen” die Israël zonder enige reden zouden haten. de wérkelijkheid was echter heel ánders. Laten we enkele van deze “militaire operaties” eens onder de loep nemen waarvan een getuige, een medicus van het Rode Kruis dr. Jacques de Reynier, een huiveringwekkend verslag gaf. Op de tweede dag na de slachtpartij die de Joodse terroristengroep Irgun Gang in in het Palestijnse dorp Deir Yassin o. l. v. de latere premier van Israël, Menachem Begin, aangericht had, verscheen de Reynier en dít is wat hij daar zag; de Gang had op 9 april 1948 (ruim een maand voor de onafhankelijkheidsverklaring door Ben-Gürion), gedurende die twee dagen 254 mensen, hulpeloze Palestijnse ouderen, vrouwen en kinderen, op wrede wijze vermoord; vrouwen werden verkracht, bij zwangere vrouwen was de maag verpletterd; van 25 vrouwen werd de zwangere buik opengesneden, de foetussen eruitgehaald en die afgeslacht. Sommige van de slachtoffers waren onthoofd en 52 kinderen werden voor de ogen van hun moeder verminkt.

                                                Shatilla en Sabra.

In de nacht van 16 september 1982 stuurde Ariël Sharon, destijds Minister van Defensie in Israël, verschillende Falangistische moordeskaders de twee Palestijnse vluchtelingenkampen Shatilla en Sabra binnen. Terwijl hij de Israëlische strijdkrachten opdracht had gegeven de beide kampen hermetisch af te sluiten zodat er niemand uit de kampen kon ontkomen, begonnen de doodseskaders aan hun gruwelijke werk. De slachtpartij onder de hulpeloze vluchtelingen duurde die gehele nacht, de volgende dag en de nacht daarop. Het aantal onschuldige mannen, vrouwen en kinderen werd vastgesteld op 1500 (ongeveer hetzelfde aantal slachtoffers tijden Opertaie Cast Lead eind december 2008/januari 2009.) Een Libanees onderzoek had het aantal echter op 2500 vastgesteld. Vervolgens trachtte Sharon deze misdaden tegen de menselijkheid te verhullen door de slachtoffers te begraven met bulldozers. Hier slaagde hij echter niet gehéél in; medewerkers van het Int. Rode kruis vertellen wat zij er aantroffen: van talloze slachtoffers en kleine kinderen waren de kelen doorgesneden; talloze vrouwen en meisjes waren verkracht voordat die vermoord werden; ook waren er lichaamsdelen met geweld verwijderd. En zo raakte de wereld op de hoogte van deze genocide.

                                                       Qana.

Op 19 april 1996 verschijnt er in het blad The Independent een onthullend artikel over de bloedige massamoord in het Libanese dorp Qana die er dan recent gepleegd is door Israëlische strijdkrachten. In dit artikel beschrijft de journalist Robert Fisk wat hij er aangetroffen heeft; sinds Sabra en Shatilla zegt hij, had hij niet meer meegemaakt dat er zoveel onschuldigen afgeslacht waren; de vluchtelingen, mannen, vrouwen en kinderen, lagen dood op elkaar; zij misten hetzij een arm, hand of been. Er lagen er meer dan honderd waaronder een baby waarvan het hoofdje vermist werd. Terwijl de slachtoffers meenden dat zij in de schuilbunker van de VN veilig zouden zijn, werden zij doorzeefd door Israëlische granaatscherven. Voor een brandend VN-gebouw hield een meisje wenend haar dode bejaarde vader in haar armen, “Mijn vader, mijn vader.” Het 10-dagen durende offensief waar de Israëlis destijds mee bezig waren, kostte aan 206 onschuldige burgers het leven. En dan te bedenken dat deze vermeende “oorlog tege de terreur” van Israël tegen “terroristen” (eig. gewone onschuldige burgers) al vanaf 1947 tot nu toe aan de gang is! En zo zien we dat de geschiedenis betreffende de gebeurtenissen vóór, tijdens en lang ná de stichting van Israël (en tot op déze dag) vervalst ís en steeds weer vervalst wórdt! Tóch wordt zoals we aan het begin al zeiden, door christelijke stichtingen, kerken etc. geleerd dat Israël nog áltijd het uitverkoren volk van God zou zijn en dat het een zonde tégen God zou zijn, kritiek te hebben op de wrede handelwijze van de Israëlische krijgsmacht tegenover de Palestijnen! Sterker nog: zij beweren dat als élke Christen “onvoorwaardelijk achter Israël staat” ongeacht hoe de Palestijen ook mishandeld en gedood worden, hij/zij zéker een zegen van God zal ontvangen! Het zal nu echter duidelijk zijn dat zij die dit doen of reeds lange tijd doen, zich verenigen met mensen die eigenlijk moordenaars zijn en bovendien zo hun misdaden goedkeuren! En om die reden is deze Israël-doctrine niet slechts een válse maar tevens een wrede leer waarbij de Palestijnen als een stelletje duivels afgeschilderd worden en de Joden de verheven status van onschuldige heiligen toegekend krijgen!

                                                 Koning Salomo.

Tot slot nog een interessante parrallel met de Israëlische leiders en één van de Oud-Testamentische koningen, koning Salomo. Salomo was een van de meest rechtvaardige koningen die Israël tot dan toe ooit gehad had; dat wil zeggen: vóórdat hij tot afgoderij verviel. Vóór zijn vele bijvrouwen hem verleidden om hún goden te gaan dienen inplaats van de énige wáre God van de Bijbel, was Salomo de tot dan toe meest rechtvaardige en meest wijze koning geweest die ooit in Israël geregeerd had. Als de zoon van David zou hij de tempel voor God bouwen, een gebouw wat voor die tijd een wereldwonder zou zijn geweest! Ook had Salomo liefde voor Israël en wanneer God hem in een droom verschijnt en hem vraagt wat zijn wnesen zijn, zegt Salomo dat hij een wijs hart wil bekomen om het volk op kundige wijze te kunnen regeren. (zie 1 Koningen 3:5-15) Tijdens de eerste helft van zijn regeerperiode stijgt Salomo in eer, aanzien en macht; God heeft hem inderdaad de wijsheid gegeven die nodig is om het land te kunnen besturen. Dit gaat goed, totdat zijn vele bijvrouwen hem als hij eenmaal oud geworden is, hem weten over te halen, hún goden te gaan dienen. Eén van deze goden (en de belangrijkste), was Astarot wat ook wel “ster” betekent; en het symbool van deze god was (en ís) inderdaad de zespuntige ster die Salomo van een mensenvriend in een wrede dictator veranderde; als hij eenmaal overleden is, wordt Salomo opgevolgd door zijn zoon Rehabeam. Dan nadert  de Israëlitische bevolking als één man tot hem met het volgende verzoek:

“Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; maak gij nu den harden dienst van uw vader en het zware juk dat hij ons opgelegd heeft, lichter; dan zullen wij u dienen.” (zie 1 Koningen 12) 

Nadat hij overleg heeft gepleegd met zowel de oude adviseurs die in dienst van zijn vader gestaan hadden als de jongeren die met hem opgegroeid zijn, besluit Rehabeam het advies van de laatsten op te volgen; hij maakt het juk wat door Salomo al zwaar genoeg gemaakt was, nóg zwaarder. Datzélfde wat we bij Salomo gezien hebben nl. dat hij na van de ware God afgevallen te zijn, zijn eigen volk verdrukte, zien wij weer terug bij de Israëlische leiders en de Israëlische krijgsmacht tegenover de Palestijnen! Op z’n minst een deel van de Israëlische Knesseth bestaat uit volgelingen van de god Astarot zoals Salomo dit ooit eens was! Moeten we dan als Christenen achter Israël staan om zo een zegen van God te verkrijgen, zoals in verschillende kerken geleerd wordt? Nee, de Bijbel leert duidelijk dat als iemand zich verbindt met wrede en gewelddadige mensen, hij dan deel heeft aan diens misdaden (ook al heeft hij zélf niets misdaan.) Desondanks keurt hij de misdaden goed. En daarom is zo iemand in Gods ogen even schuldig als de dader zélf. Laten we ons dus niet misleiden door (overigens goedbedoelende doch onwetende christelijke leiders) die leren dat als we Israël het goede toewensen en het zegenen, Gods glimlach over ons leven zou rusten. Dat is eenvoudig niet waar. Er is nog zoveel méér om te vertellen over deze geschiedenis; de massamoorden die in bovengenoemde Palestijnse steden plaatsgevonden hadden, zijn slecht een een voorbeeld van talloze andere steden en dorpen waarvan de inwoners vermoord en de overlevenden verdreven zijn (zónder recht op terugkeer of ook maar enige compensatie!) Over de ruïnes zijn door de jaren heen, Israëlische steden, dorpen en pretparken aangelegd zodat er (enkele resten van deze ruïnes uitgezonderd), bijna niets meer is wat herinnert aan een eens bloeiende Palestijnse gemeenschap waar Palestijnen en Joden in vrede met elkaar samenwoonden. Voor meer informatie zouden we de lezers graag willen verwijzen naar de volgende goedgedocumenteerde en bijbels-georiënteerde websites:

http://www.truthtellers.org/israel/mideaststrife.html

http://powerofprophecy.com

http://www.realzionistnews.com

(op deze websites worden niet slechts de misdaden van Israël tegen de Palestijnen aan de kaak gesteld; ook geven die een overzicht betreffende de wáre geschiedenis van het Joodse volk door de eeuwen heen.

Ton Nuiten – 1 Januari 2012

 

2 reacties

2 thoughts on “De Israël-Doctrine.

    • Beste Reina, hier is niets van enig antisemitisme te zien. Wat ik doe, is nl. een stuk geschiedenis weergeven wat door de wereldwijde media maar zelden in een goede samenhang wordt belicht. Daarnaast hebben we het christenzionisme, een religie die echter sectarisch is; die leert o.a. dat de christelijke kerk in het verleden zeer antisemitisch zou zijn geweest. De aanhangers van deze beweging wijzen dan naar de na-apostolische kerkvaders die er een antisemitische mening op nahielden. Hadden zij de Bijbel (de zendbrieven van de apostel Paulus) er goed op nagelezen, dan zou hen duidelijk zijn geworden dat wat hun sectarische leer betreft, ook deze apostel een antisemiet zou zijn geweest! Hij sprak zich o.a. uit tegen de judaïsering van de kerk te Galatië door de lichamelijke besnijdenis; Joodse dwaalleraren trachtten de Christenen daar onder de Joodse wet te brengen en Paulus waarschuwde hen tegen deze praktijk! En in Galaten 4:10 waarschuwt de apostel tegen het houden van Joodse feestdagen. En wat te denken over deze “antisemitische uitlatingen”:

      “Let op de honden, let op de slechte arbeiders, let op de versnijdenis. Want wij zijn de besnijdenis, wij die God in de Geest dienen en in Christus Jezus roemen en niet op het vlees” (de lichamelijke besnijdenis) “vertrouwen.” (Filippenzen 3:2-3)

      Paulus maakt hier een ding goed duidelijk: hijzelf en zijn christelijke medegelovigen waren de wáre (geestelijke) besnijdenis (ofwel de uitverkorenen Gods) in tegenstelling met de niet in Christus gelovende Joden die wél op het vlees hun vertrouwen stelden! Kortom: De christelijke kerk is de uitverkorene Gods in tegenstelling met Joden die níet in Jezus geloven! Verder zijn er geen twee uitverkoren volken (de kerk & Israël) zoals de christenzionistische religie leert; Paulus spreekt van “één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping, één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die boven allen en door allen en in u allen is.” (Efeze 4:4-6)

      Er is dus slechts één uitverkoren volk, nl. de christelijke kerk! Verder verhaalt het boek Handelingen dat de vroegere christelijke kerk hoewel die ook door niet-Joodse heidenen vervolgd werd, het voornamelijk niet niet-christelijke Joden waren, die de kerk hevig en zwaar vervolgden! Paulus (voorheen Saulus geheten) was vóór hij tot geloof in Jezus kwam, de grootste kerkvervolger van zijn tijd! Verder leert de christenzionistische religie dat het uitsluitend de Romeinen waren die verantwoordelijk waren voor de kruisiging en dood van Christus. Maar…wat zei de apostel Petrus; wat zei Paulus? Lees Hand. 2:22-23 en 1 Thessalonicenzen 2:14-16. Wat je daar zult lezen, wordt door de christenzionistische religie ontkend waardoor men eigenlijk zegt dat de Bijbel niet waar zou zijn! Tevens wordt iemand die hetzelfde zou zeggen als wat Paulus en Petrus hebben gezegd door christenzionisten als een “antisemiet” beschouwd! Zouden deze apostelen dan volgens de christenzionistische doctrine eveneens “antisemieten” zijn geweest? Ja, deze valse leer vereist dit; de aanhangers hiervan beseffen het alleen niet! Ik zou je dringend willen adviseren, beste Reina, de Bijbel zélf ter hand te nemen en niet meer te luisteren naar christenzionistische leraren die op bepaalde punten hun eigen Bijbel ontkennen.

      Met vriendelijke groet: Ton.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s